Brief 4 silhouet
Ik praat met u, lieve vriendin, over weinig interessante dingen, en zo uitvoerig en met zoveel bijzonderheden! Maar zo heb ik ze in mijn gedachten; en ik zou menen u niets te vertellen als ik u niet alles vertelde. Het zijn kleine dingen die mij ongelukkig maken of ongeduldig, en die maken dat ik ongelijk heb. Luister dus naar nog een heleboel kleinigheden.
Drie weken geleden werd er te Guildford een bal gegeven. Mr. Henley was een van de intekenaars. Wij waren door een van zijn verwanten, die daar een huis heeft, uitgenodigd om al de dag tevoren bij haar te komen, en het kind mee te brengen. Wij gingen erheen; ik had de kleding bij me die ik wilde aantrekken, een avondjapon die ik anderhalf jaar geleden op een bal in Londen had gedragen; een hoed, veren en bloemen, die mijn tante en Fanny speciaal voor dit feest hadden uitgezocht en die ik twee dagen tevoren had ontvangen. Aangezien ik de doos niet had geopend, zag ik de hoed pas toen ik hem opzette. Ik was er bijzonder mee ingenomen, ik vond dat ik er erg mooi uitzag toen ik me gekleed had, en ik deed wat rouge op, zoals bijna alle vrouwen doen. Een uur voor het bal kwam mr. Henley aan van Hollowpark.
‘U bent heel mooi, mevrouw,’ zei hij, ‘want u kunt niet lelijk zijn; maar ik vind u er honderdmaal mooier uitzien in uw eenvoudigste kleren dan in deze kostbare tooi. Ik vind bovendien dat een vrouw van zesentwintig niet gekleed moet gaan als een meisje van vijftien, en een fatsoenlijke vrouw niet als een toneelspeelster...’
Mijn ogen vulden zich met tranen.
‘Toen Lady Alesford mij dit alles zond dacht ze niet aan kleding voor een meisje van vijftien,’ antwoordde ik, ‘en evenmin aan een toneelspeelster, maar aan haar nicht uw echtgenote, wier leeftijd zij weet... Maar zeg mij, mijnheer, dat mijn toilet u ergert of niet aanstaat, dat ik u een genoegen zou doen niet op deze manier gekleed te verschijnen, en ik zal onmiddellijk van het bal afzien, en naar ik hoop op waardige wijze.’
‘Zouden we niet een man te paard kunnen sturen,’ vroeg hij, ‘om een andere japon en een andere hoed te halen?’
‘Neen,’ zei ik, ‘dat kan niet. Mijn kamenier is hier, niemand zal iets kunnen vinden; ik heb niets geschikts; ik zou mijn kapsel helemaal in de war brengen.’
‘Wel, wat doet het ertoe!’ zei mr. Henley glimlachend.
‘Het doet ertoe voor mij,’ riep ik heftig. ‘Maar vind goed dat ik niet naar het bal ga, zeg dat het u een plezier zou doen. Ik gehoorzaam u met alle genoegen!’
En deels van spijt, deels van emotie, begon ik zowaar te huilen.
‘Het doet mij leed, mevrouw,’ zei mr. Henley, ‘dat dit u zozeer aangrijpt. Ik zal u er niet van weerhouden naar het bal te gaan. Ge hebt tot dusverre in mij nooit een tirannieke echtgenoot gezien. Het is mijn wens dat ge u laat leiden door redelijkheid en de eisen der betamelijkheid, niet door mijn vooroordelen. Uw tante heeft uw toilet passend gevonden; blijf daarom zoals ge bent... Maar breng nieuwe rouge op, want die is doorgelopen met uw tranen.’
Ik heb geglimlacht en in een opwelling van vreugde zijn hand gekust.
‘Ik zie met genoegen,’ zei hij, ‘dat mijn lieve vrouwtje even jong is als haar kapsel en even licht als haar veren.’
Ik ging weg om nieuwe rouge op te doen. Er kwamen nog meer gasten en toen het tijd was zijn we naar het bal gegaan. In het rijtuig deed ik alsof ik vrolijk was, om mr. Henley en mijzelf in een goede stemming te brengen. - Het is me niet gelukt. lk wist niet of ik juist of verkeerd gehandeld had; ik was slecht op mijn gemak en ontevreden over mijzelf.
Wij waren een kwartier in de balzaal, toen iedereen zich naar de deur keerde, waar een ongewoon gedistingeerde gestalte, uiterst eenvoudig, elegant en schitterend gekleed, alle blikken tot zich trok. Er werd gevraagd, gefluisterd en iedereen zei: ‘Dat is Lady Bridgewater, de vrouw van gouvemeur Bridgewater die uit Indië terug is gekomen en onlangs is geadeld.’ Vergeef me mijn zwakheid: het was geen prettig ogenblik voor uw vriendin. Gelukkig verscheen er een ander vergelijkingsobject: mijn schoonzuster kwam binnen met een vingerdik rouge op; dat waren nog eens andere veren dan de mijne!
‘Kijk eens!’ zei ik tegen mr. Henley.
‘Zij is mijn echtgenote niet,’ antwoordde hij.
Hij ging naar haar toe om haar naar haar stoel te brengen. Anderen zullen even toegeeflijk zijn voor mij, dacht ik. Een gevoel van koketterie maakte zich van mij meester, en ik schudde mijn verdrietige bui van mij af en besloot de rest van de avond wat beminnelijker te zijn. Ik had een reden om niet te dansen, die ik u nog niet wil vertellen.
Na de eerste contradans kwam Lady Bridgewater naast mij zitten.
‘Ik heb gevraagd wie u was, mevrouw,’ zei ze met onnavolgbare gratie. ‘En door het vernemen van uw naam kende ik u al en was ik al bijna uw vriendin. Het zou van te veel eigenliefde getuigen te zeggen dat uw uiterlijk daarbij een grote rol speelt: sir John Bridgewater, mijn echtgenoot, heeft meermalen over u gesproken en gezegd dat ik op u leek.’
Aan zoveel hoffelijkheid en vriendelijkheid kon ik geen weerstand bieden: hoewel ik alle reden had voor jaloezie, week die voor een warme sympathie. Het is inderdaad best mogelijk, dat Lady Bridgewater op mij lijkt; maar zij is jonger, langer, slanker, zij heeft mooier haar; kortom, ze wint het van mij op alle punten waarover men zich geen illusies kan maken, en wat het overige betreft kan ik het evenmin van haar winnen, want het is onmogelijk meer gratie te hebben, of een stem met een hartelijker klank.
Mr. Henley was voortdurend in de naaste omgeving van miss Clairville, een meisje uit ons graafschap, heel fris, heel vrolijk en toch ingetogen, en helemaal niet mooi. Ikzelf sprak de gehele avond met Lady Bridgewater en mr. Mead, haar broer, die zij mij had voorgesteld, en ik was alles bij elkaar zeer met hen en met mijzelf ingenomen.
Ik verzocht hen mij te komen bezoeken. Lady B. betuigde haar grote spijt dat ze de volgende dag al naar Londen terug moest, om zich daarna bij haar echtgenoot in Yorkshire te voegen, waar hij gekozen wilde worden. Wat mr. Mead betreft, hij nam mijn uitnodiging aan voor twee dagen later. Wij namen zo laat mogelijk afscheid van elkaar.
Ik ging een paar uur rusten bij de nicht van mr. Henley, en na het middagmaal stapten wij in het rijtuig, mijn echtgenoot, zijn dochtertje en ik; het kindermeisje en mijn kamenier waren al vertrokken. Ik was nog helemaal met mijn gedachten bij Lady B. en nadat ik in mijn verbeelding haar lieve gezicht weer had gezien en haar woorden en stembuiging als het ware opnieuw had gehoord, zei ik tegen mr. Henley: ‘Ge zult het met me eens zijn dat zij charmant is.’
‘Wie?’ vroeg hij.
‘Is het u ernst?’ zei ik, ‘weet ge het werkelijk niet?’
‘Ge bedoelt blijkbaar Lady B. Ja, zij is knap, het is een mooie vrouw, ik vond haar vooral zeer goed gekleed. Ik kan niet zeggen dat ze grote indruk op me heeft gemaakt.’
‘O!’ hernam ik. ‘Als kleine blauwe oogjes, rood haar en het uiterlijk van een boerinnetje evenzovele schoonheden zijn, heeft miss Clairville zeker een stap voor op Lady B. en haars gelijken Na Lady B. vond ik haar broer de aantrekkelijkste gast op het bal. Hij deed mij denken aan mylord Alesford, mijn eerste geliefde, en ik heb hem gevraagd morgen bij ons te komen dineren.’
‘Gelukkig ben ik niet jaloers,’ zei mr. Henley met een half glimlachje.
‘Gelukkig voor u, maar niet gelukkig voor mij,’ hernam ik. ‘Als ge jaloers waart, zou ik tenminste zien dat ge iets voeldet; ik zou me gevleid voelen; ik zou geloven dat ik u dierbaar was. Ik zou geloven dat ge bevreesd waart me te verliezen, dat ik u nog behaag; dat ge althans meent dat ik nog in staat ben te behagen. Ja!’ voegde ik eraan toe, aangevuurd door mijn eigen opwinding en geprikkeld door zijn onveranderlijke gelijkmoedigheid, ‘de onrechtvaardigheid van een jaloerse man, de opvliegendheid van een bruut zouden beter te verdragen zijn dan de koele onaandoenlijkheid van een wijze!’
‘Ge doet me denken aan de Russische vrouwen, die geslagen willen worden,’ zei mr. Henley. ‘Maar, liefste, bedwing uw heftigheid terwille van dit kind, en laten wij haar niet het voorbeeld geven...’
‘Ge hebt gelijk,’ riep ik uit. ‘Vergeef me, mijnheer; vergeef me, lief kind...’ Ik nam haar op mijn schoot; ik kuste haar; haar gezichtje werd nat van mijn tranen.
‘Ik geef je een slecht voorbeeld,’ zei ik. ‘Ik zou een moeder voor je zijn, dat had ik beloofd, en in plaats daarvan verwaarloos ik je en zeg in je aanwezigheid dingen die je gelukkig niet helemaal begrijpt.’
Mr. Henley zei niets, maar ik ben er zeker van dat hij geroerd was. Het meisje bleef op mijn schoot zitten; haar liefkozingen beantwoordde ik honderdvoudig, maar met een zwaar hart. Ik had bitter berouw; ik vormde allerlei plannen en nam me voor nu eindelijk écht haar moeder te worden. Maar ik zag in haar ogen, dat wil zeggen in haar hart, dat zoiets onmogelijk was. Ze is mooi, ze heeft een goed en eerlijk karakter, maar ze is niet erg levendig of ontvankelijk. - Ze zal mijn leerlinge zijn, maar ze zal mijn kind niet zijn; ze zal er niet om geven.
Wij kwamen thuis. Op mijn verzoek werd er een uitnodiging voor de volgende dag naar het kasteel van de Henley’s gestuurd. Miss Clairville was daar gelogeerd; zij kwam ook. Aan tafel plaatste ik mr. Mead tussen haar en Lady Sara Melvil, en de dag verliep zonder iets onaangenaams of bijzonders.
De dag daarop schreef ik mr. Henley een brief, waarvan ik u het klad zend met alle doorhalingen. Er zijn bijna evenveel doorgestreepte woorden als woorden die zijn blijven staan, en het zal u moeite kosten het te lezen.
Mijnheer,
Ge hebt eergisteren hoop ik gezien hoezeer ik mij schaamde over mijn buitensporige heftigheid. Meen niet dat ik bij deze of bij vorige gelegenheden uw geduld en uw zachtheid niet naar waarde heb geschat. Ik kan u verzekeren dat mijn bedoelingen altijd goed zijn geweest. Maar wat helpen bedoelingen als het resultaat er nooit mee in overeenstemming is? - Wat u betreft, in uw gedrag is niets dat ik kan afkeuren, hoe graag ik dat soms ook had gewild, om het mijne te rechtvaardigen. - Toch hebt ge één fout gemaakt: ge hebt mij te veel eer bewezen met me te huwen. Ge hebt gedacht, en wie zou het niet gedacht hebben! dat een verstandige vrouw, als ze in haar echtgenoot alles vond wat een man beminnenswaardig en achtenswaardig kan maken, en in haar eigen leven alle passende genoegens, rijkdom en achting, niet anders dan gelukkig kon zijn; maar ik ben geen verstandige vrouw; gij en ik hebben dat te laat bemerkt. - Naast de eigenschappen die u aantrekkelijk hebben geleken, bezit ik niet die welke ons gelukkig zouden hebben gemaakt. - Ge hadt die beide bij talloze andere vrouwen kunnen vinden. Ge hebt geen briljante talenten verlangd, ge hebt immers met mij genoegen genomen, en zeker is niemand minder veeleisend dan gij als het gaat om moeilijke kwaliteiten. Dat ik bits heb gesproken over miss Clairville was alleen omdat ik met spijt voelde hoeveel beter een meisje als zij bij u gepast zou hebben dan ik. Gewend aan de genoegens en de bezigheden van het leven op het land, actief, ijverig, houdend van eenvoudige dingen, dankbaar, vrolijk, blijmoedig - zou ze u de mogelijkheid gelaten hebben te denken aan wat er misschien aan haar zou ontbreken? Miss Clairville zou hier te midden van haar verwanten en haar oorspronkelijke leefwijze zijn gebleven. Zij zou niets verloren hebben, ze zou er enkel bij hebben gewonnen... Maar ik blijf te lang stilstaan bij een hersenschim... het verleden kan niet teruggeroepen worden. - Laten we over de toekomst praten, in het bijzonder over uw dochtertje. Laten we proberen mijn gedrag zo te veranderen dat de grootste van mijn tekortkomingen wordt hersteld. Toen ge u in het begin verzet hebt tegen wat ik voor haar wilde doen, hebt ge alleen maar juist en verstandig gehandeld; maar het betekende het afkeuren van alles wat men voor mij had gedaan; het betekende geringschatting van alles wat ik wist en wat ik was. - Ik was vernederd en ontmoedigd; het heeft me ontbroken aan plooibaarheid en aan waarachtige goede wil. In de toekomst wil ik mijn plicht doen; niet zoals ik me die voorstel, maar volgens uw zienswijze. Ik vraag u niet mij een gedragslijn voor te schrijven; ik zal uw gedachten proberen te raden om me eraan te onderwerpen; maar als ik verkeerd raad of het verkeerd aanpak, wees dan zo goed me niet enkel uw afkeuring te laten blijken, maar me te zeggen wat ge zoudt willen dat ik in plaats daarvan deed. Op dit punt en op alle andere verlang ik oprecht uw lof te verdienen, uw genegenheid te herwinnen of te winnen, en de spijt in uw hart over een verkeerde keuze te verminderen.
S. Henley
Ik heb mr. Henley mijn brief in zijn werkkamer gebracht, en heb hem alleen gelaten. Een kwartiertje later kwam hij bij me in de salon.
‘Heb ik mij beklaagd, mevrouw?’ vroeg hij terwijl hij me omhelsde. ‘Heb ik over miss Clairville gesproken, heb ik ook maar aan énige miss Clairville gedacht?’
Op dat ogenblik kwamen zijn vader en zijn broer binnen; ik heb mijn ontroering verborgen. Het scheen me toe dat mr. Henley tijdens hun bezoek voorkomender was en mij vaker aankeek dan gewoonlijk. Dat was de beste manier om me te antwoorden. Wij zijn nergens op teruggekomen. Sedert die dag sta ik vroeger op; ik laat miss Henley samen met mij ontbijten. Ze krijgt in mijn kamer een uur schrijfles; ik geef haar les in aardrijkskunde, iets van geschiedenis en enkele beginselen van de godsdienst. - O, als ik die zelf maar kon leren terwijl ik ze onderwijs, en mijn hart ervan doordringen! Hoeveel gebreken zouden er verdwijnen, hoeveel ijdelheid vervliegen tegenover deze waarheden met hun verheven doel en hun eeuwig nut!
Ik kan u nog niet zeggen hoeveel succes ik heb met het kind. Wij moeten wachten en hopen. Evenmin zal ik u vertellen wat ik zoal doe om het leven op het land interessant voor mij te maken. Dit landgoed is als zijn heer: alles is er te goed. Niets hoeft er veranderd te worden, niets vereist mijn aandacht of mijn energie. Een oude linde voor mijn ramen beneemt mij een mooi uitzicht; ik wilde hem laten omhakken, maar toen ik hem van dichtbij bezag vond ikzelf dat dat heel jammer zou zijn. Nu kan niets mij meer plezieren dan in dit jaargetijde vol licht de bladeren te zien verschijnen en zich ontvouwen, de bloesems te zien ontluiken, en talloze insekten te zien rondvliegen, kruipen, heen en weer lopen. Ik heb nergens verstand van, ik bestudeer niets, maar ik aanschouw deze rijke, nijvere wereld en ben vol bewondering. Ik ga op in dit oneindige geheel dat zo wonderbaarlijk is, ik zal niet zeggen zo wijs, daarvoor weet ik te weinig. Het ontgaat mij waartoe alles dient, ik ken middelen noch doel, weet niet waarom zoveel vliegjes door een vraatzuchtige spin opgegeten moeten worden; maar ik kijk, en er gaan uren voorbij zonder dat ik aan mijzelf heb gedacht of aan mijn kinderachtige verdrietelijkheden.






HOME