Brief 2 silhouet
Wij kwamen aan op Hollowpark; het is een mooi, oud en voornaam huis dat de moeder van mr. Henley, erfdochter van de familie Astley, hem heeft nagelaten. Ik vond alles prachtig. lk werd geroerd door de vergrijsde bedienden die hun geliefde meester tegemoet snelden en hun nieuwe meesteres met zegenwensen begroetten. Het kind werd bij mij gebracht; in mijn hart beloofde ik haar de trouwste zorg en de warmste genegenheid. De rest van de dag bracht ik in een soort roes door; de volgende dag tooide ik het kind met de opschik die ik voor haar uit Londen had meegebracht; ik vertoonde haar aan haar vader, die ik aangenaam dacht te verrassen.
‘Uw bedoeling is heel goed,’ zei hij, ‘maar ik zou haar zo’n smaak niet willen bijbrengen; ik zou bang zijn dat die mooie schoentjes haar zouden beletten naar hartelust rond te rennen; kunstbloemen passen slecht in deze eenvoudige, landelijke omgeving.’
‘Ge hebt gelijk, mijnheer,’ antwoordde ik, ‘het was verkeerd van mij het kind dat alles aan te trekken en nu weet ik niet hoe ik het haar weer moet afnemen. Ik had haar op deze kinderlijke manier aan mij willen binden, en ik heb haar enkel een verdrietelijkheid bezorgd en mijzelf een vernedering.’
Gelukkig waren de schoentjes al gauw bedorven, het medaillon raakte weg en de kunstbloemen van haar hoed bleven in de struiken hangen; en ik hield het kind zo druk bezig dat ze geen tijd had om over het verlies te treuren. Ze kon zowel Frans als Engels lezen, en ik wilde haar de fabels van La Fontaine laten leren. Op een dag zei ze voor haar vader Le chêne et le roseau op. Ze deed het allerliefst. Ik zei haar heel zachtjes de woorden voor; mijn hart klopte heftig en ik bloosde van plezier.
‘Ze heeft het heel goed opgezegd,’ zei mr. Henley. ‘Maar begrijpt ze ook wat ze zegt? Misschien zou het beter zijn werkelijke feiten in haar hoofdje te brengen, en pas daarna gefantaseerde; aardrijkskunde, geschiedenis...’
‘Ge hebt gelijk, mijnheer,’ antwoordde ik, ‘maar haar kindermeisje kan haar net zo goed als ik leren dat Parijs aan de Seine ligt en Lissabon aan de Taag.’
‘Waarom al dat ongeduld?’ vroeg mr. Henley vriendelijk. ‘Leer haar de fabels van La Fontaine maar als ge dat prettig vindt; het zal eigenlijk niet veel kwaad kunnen.’
‘Nee!’ zei ik heftig. ‘Het is uw kind, niet het mijne!’
‘Maar lieve kind, ik hoopte...’
Ik gaf geen antwoord en liep in tranen weg. Ik had ongelijk, dat weet ik wel; ik was degene die ongelijk had. Een tijdje later kwam ik terug en mr. Henley leek zich mijn prikkelbaarheid zelfs niet meer te herinneren. Het kind zat naast hem te knikkebollen en te geeuwen zonder dat hij er acht op sloeg. Een paar dagen later wilde ik een les in aardrijkskunde en geschiedenis instellen, maar leerlinge en lerares vonden dat al spoedig vervelend. Voor muzieklessen vond haar vader haar te jong en hij vroeg zich af of dat soort talent niet meer pretenties gaf dan genot. Aangezien het meisje bij mij nu alleen maar vervelend zat te beuzelen en alles wat ik deed soms met een dom gezicht, soms nieuwsgierig volgde, werd ze me te veel en ik verdreef haar bijna uit mijn kamer. Ze was haar kindermeisje ontwend. Het arme kind is zeker minder gelukkig en slechter opgevoed dan voor ik hier kwam. Als ze niet onlangs de mazelen had gehad, die ik ook heb gekregen omdat ik haar dag en nacht heb verpleegd, zou ik niet weten dat ik meer om haar geef dan om het kind van een vreemde. Wat de bedienden betreft, geen van hen heeft zich over mij te beklagen gehad; maar mijn elegante kamenier heeft een boerenzoon bij ons in de buurt het hoofd op hol gebracht, die tevoren verliefd was op de dochter van een bejaarde en uitstekende huishoudster, zoogzuster van de moeder van mijn man. Peggy, ontroostbaar, en haar moeder, diep beledigd, hebben het huis verlaten, wat we ook tegen hen gezegd hebben om hun dat uit het hoofd te praten. Ik probeer dit verlies zoveel ik kan goed te maken, geholpen door mijn kamenier, die een goed karakter heeft, anders had ik haar op staande voet weggestuurd; maar iedereen in huis betreurt het vertrek van de oude huishoudster, en ik mis haar ook, haar en de heerlijke vruchtengelei die ze maakte.
Uit Londen had ik een prachtige witte angorakat meegenomen. Mr. Henley vond haar niet mooier dan een andere kat, en hij schertste vaak over de heerschappij van de mode, die over het lot van de dieren beslist en maakt dat ze overdreven worden bewonderd of smadelijk geminacht, net als onze japonnen en kapsels. Niettemin haalde hij de angora aan, want hij is een goed mens en zal geen enkel wezen dat gevoelig is voor genegenheid een klein beetje van de zijne weigeren. Maar ik wilde u eigenlijk niet over mijn angora vertellen.
Mijn kamer was behangen in stroken. Heel donkergroen velours hing tussen stroken naaldwerk, geborduurd door de grootmoeder van mr. Henley. Grote, moeilijk te verplaatsen fauteuils, heel geschikt om erin te slapen, bekleed met hetzelfde naaldwerk, omlijst door hetzelfde groene velours, vormden samen met een erg harde canapé het meubilair van mijn kamer. Mijn angora ging met een absoluut gebrek aan eerbied in de oude fauteuils liggen en haakte haar nagels in het antieke naaldwerk. Meer dan eens had mr. Henley haar voorzichtig op de grond gezet. Zes maanden geleden kwam hij alvorens op jacht te gaan me goedendag zeggen en zag de kat die in een fauteuil lag te slapen.
‘Och,’ zei mr. Henley, ‘wat zouden mijn moeder en mijn grootmoeder zeggen als ze dit zagen!’
‘Ze zouden ongetwijfeld zeggen dat ik mijn meubels moet gebruiken zoals ik dat wil, net als zij deden,’ antwoordde ik scherp, ‘en dat ik me zelfs in mijn eigen kamer geen vreemdelinge hoef te voelen; en sedert ik klaag over die zware fauteuils en dat sombere behangsel zouden ze u gevraagd hebben mij andere stoelen en een ander behangsel te geven.’
‘Geven, liefste?’ antwoordde mr. Henley. ‘Geeft men aan zichzelf? Geeft de ene helft aan de andere? Gij zijt toch de vrouw des huizes? Vroeger vond men dit heel mooi...’
‘Vroeger, ja, maar ik leef nu,’ gaf ik ten antwoord.
‘Mijn eerste vrouw hield van deze meubels,’ hernam mr. Henley.
‘Och hemel, leefde ze nog maar!’ riep ik uit.
‘En dat alles om een kat die ik geen kwaad heb gedaan?’ zei mr. Henley zacht en droevig, als berustend, en ging de kamer uit.
‘Nee, het gaat niet om de kat,’ riep ik hem na; maar hij was al te ver weg, en even later hoorde ik hoe hij in de binnenhof rustig zijn bevelen gaf terwijl hij te paard steeg.
Deze gelijkmoedigheid was de druppel die de emmer deed overlopen; ik heb gescheld. Hij had me gezegd dat ik de vrouw des huizes was. Ik heb de fauteuils naar de salon laten brengen, de canapé in een bergruimte. Ik heb een lakei bevolen het portret van de eerste mevrouw Henley, dat tegenover mijn bed hing, van de muur te halen.
‘Maar mevrouw...’ zei de lakei.
‘Gehoorzaam of ga weg!’ heb ik hem geantwoord.
Hij dacht zeker dat ik iets tegen het portret had en gij zult wel hetzelfde denken; neen, heus, ik geloof niet dat dat zo was. Maar het portret hing over het behangsel heen en omdat ik dat wilde laten weghalen moest ik met het portret beginnen. Het behangsel volgde; het hing enkel aan haken. Ik heb het keurig laten schoonmaken en oprollen. Ik liet rieten stoeltjes in mijn kamer zetten en schikte zelf een kussen voor mijn angora, maar het arme dier heeft geen plezier gehad van mijn goede zorgen, het was schuw geworden door het lawaai en naar het park gevlucht, en niemand heeft het teruggezien.
Thuiskomend van de jacht vond mr. Henley tot zijn verbazing het portret van zijn vrouw in de eetzaal. Hij kwam naar mijn kamer zonder iets tegen me te zeggen en schreef naar Londen om me het mooiste Indische papier, de sierlijkste stoeltjes en geborduurde mousseline voor de gordijnen te laten sturen.
Heb ik ongelijk gehad, lieve vriendin, niet alleen in de manier waarop, maar ook verder? Is het oude meer waard dan het nieuwe? En doen mensen die voor verstandig doorgaan meestal iets anders dan hun eigen vooroordelen en voorkeuren met plechtige ernst stellen tegenover vooroordelen en voorkeuren die levendiger worden geuit?
Het verhaal over de hond is het vertellen nauwelijks waard: ik heb hem zo vaak de eetzaal uit moeten jagen tijdens de maaltijden, dat hij er nu niet meer komt en in de keuken eet. Het punt van de familieleden is ernstiger. Er zijn er die ik zo goed mogelijk ontvang omdat ze het niet breed hebben; maar ze maken mij aan het geeuwen, en ik ga hen nooit eigener beweging bezoeken omdat het de vervelendste mensen van de wereld zijn. Wanneer mr. Henley eenvoudig zegt: ‘Laten wij nicht die-en-die gaan bezoeken,’ ga ik mee; ik ben te paard of in de koets met hem samen; dat kan alleen maar prettig zijn. Maar als hij mij zegt: ‘Mijn nicht is een lieve vrouw,’ antwoord ik: ‘Nee, ze is vitterig, jaloers en pietluttig.’ Als hij zegt dat zijn neef de heer zus-en-zo een gentleman is die hij hoogacht, antwoord ik hem dat het een onbeschaafde dronkaard is. Wat ik zeg is waar, maar ik heb ongelijk, want ik doe hem verdriet. Met mijn schoonvader sta ik op zeer goede voet; hij is niet bijster scherp van geest, maar erg gemoedelijk. Ik borduur vesten voor hem, ik speel voor hem op het klavecimbel; maar mijn schoonzuster Lady Sara Melvil, die de gehele zomer bij hem woont, gedraagt zich zo hooghartig tegenover mij dat me dat kasteel onverdraaglijk wordt en ik er maar heel zelden kom. Zou mr. Henley mij zeggen: ‘Verdraag om mijnentwille die hooghartigheid, ik zal er u te meer om liefhebben; het stoort mij even erg, maar ik houd van mijn vader, ik houd van mijn broer: uw koelheid zou hen onmerkbaar van mij vervreemden, en ge zoudt dan zelf spijt gevoelen dat geluk en natuurlijke hartelijke gevoelens waren verminderd door uw toedoen,’ dan zou ik hem vast en zeker antwoorden: ‘Ge hebt gelijk, mr. Henley, nu al ken ik het gevoel van spijt dat ge me voorspelt, ik heb het vaak gevoeld; het zal erger worden, het bedroeft mij en zal mij meer verdriet geven dan ik zeggen kan. Laten wij mylord uw broer opzoeken, een liefdevolle blik van u doet mij meer genoegen dan de pijn die alle belachelijke hooghartigheid van Lady Sara me zou kunnen geven.’
Maar mr. Henley heeft niets gezien, kan zich niet herinneren... ‘Nu ge erover spreekt, liefste, meen ik mij vaag te herinneren... Maar als het zo was, wat zou het? Hoe kan een verstandig mens zich iets aantrekken... En is het niet vergeeflijk van Lady Sara? Dochter van een hertog, echtgenote van het toekomstige hoofd van onze familie’... Lieve vriendin, vuistslagen zouden mij welkomer zijn dan al die redelijkheid! Ik ben ongelukkig, ik verveel mij - ik heb hier geen geluk gebracht en het evenmin gevonden; ik heb veel onrust veroorzaakt en er geen rust bij gevonden. Ik betreur mijn fouten, maar ik krijg geen mogelijkheid om het beter te doen. Ik ben alleen, niemand voelt met me mee en ik ben des te ongelukkiger omdat er niets is waaraan ik het kan wijten; omdat ik geen enkele verandering te vragen heb, geen enkel verwijt te maken, omdat ik het mezelf kwalijk neem en er mijzelf om minacht dat ik ongelukkig ben.
Iedereen bewondert mr. Henley en wenst mij geluk met mijn benijdenswaardig lot. Ik antwoord: ‘Het is waar, u hebt gelijk. Wat een verschil met de andere mannen van zijn leeftijd en stand! Wat een verschil tussen mijn leven en dat van mevrouw zus en mylady zo!’ Ik zeg het, ik denk het en mijn hart voelt het niet; dat zwelt of krimpt ineen, en dikwijls trek ik mij terug om mijn tranen de vrije loop te laten. Ook nu mengen er zich tranen, zonder dat ik weet waar ze vandaan komen, met de inkt op dit papier. Vaarwel, lieve, ik zal u spoedig weer schrijven.

P.S. Bij het overlezen van deze brief merk ik, dat ik meer fouten heb gemaakt dan ik eerst dacht. Ik zal het portret van de eerste mrs. Henley weer op zijn oude plaats laten hangen. Als mr. Henley vindt dat het beter staat in de eetzaal, waar het inderdaad meer licht krijgt, kan ik het er terug laten brengen. Ik zal dezelfde lakei laten komen die het hier heeft weggehaald. Als het portret op zijn oude plaats hangt, zal ik de paarden laten inspannen en mijn schoonvader gaan bezoeken. Ik hoef alleen maar tegen mezelf, namens mr. Henley, te zeggen wat ik zou willen dat hij tegen mij gezegd had, en ik zal Lady Sara Melvil kunnen verdragen.






HOME